Het genie in een gestoorde

Een jaar of zeven was ik. Echt zo’n haalf-zeevuntsjie nog, zoals dat in Utrecht heet. Met stapels van zolder tevoorschijn gehaalde oude voetbalbladen, en een leeg fotoalbum, maakte ik samen met mijn beste makker het Ajax-album met daarin pagina 3, de pagina die boven aan dit stuk staat. Ons leventje draaide totaal om die club uit Amsterdam en vooral ik sloeg daar lekker in door. Ajax-behang, zelfs Ajax-vla, zolang er Ajax op stond was het goed. Je gaat je er bijna door afvragen waarom er in dat album vol kleine jongensboeken, met talloze bekende Ajacieden, slechts één speler het extra predicaat “topspeler” kreeg. Bijna. Want tuurlijk, het zijn allemaal topspelers bij Ajax, maar onder alle Ajacieden is er maar één echte topspeler; JC. Johan Cruyff. U kent hem wel, van die blikken van onze vaders, die natuurlijk allemaal ooit nog eens tegen Hem gespeeld hebben. Allemaal hadden die vaders gezien dat Hij nog ver zou komen. Misschien is Cruyff daarom de enige JC waar ik echt in geloof. Uiteraard was hij niet altijd te volgen als hij sprak, maar dat kon ook niet anders. Zelden zag ik namelijk iemand met zo’n extreem ontwikkeld analytisch vermogen in combinatie met een vocabulaire van een jong Amsterdams knaapie. JC zag in het voetbal zovéél gebeuren, hij snapte het zo goed, om niet te zeggen: als de beste. Alleen de optie scherp verwoorden wat je bedoelt zit nu eenmaal niet in het standaardpakket van de menselijke soort. En dat kan problemen geven. Want als niemand jou begrijpt, dan ben je al snel gestoord, zoals JC wel eens verweten werd. Pas als je clubs als Ajax en Barcelona en het hele Nederlandse Elftal eigenhandig naar de wereldtop brengt, dan wordt je een genie. Zo één die eigenlijk door niemand begrepen wordt. En zoals hij nauwelijks begrepen werd, werd hij ook nauwelijks tegengehouden. Gewoon op talent de zestien indribbelen en schieten, of door een laat Duits been onderuit gehaald worden. Het zou zelfs zo kunnen zijn dat JC juist zo goed was, juist omdat niet iedereen hem begreep. Onbegrijpelijk en ongrijpbaar was hij. Zelfs tot op het laatst. Naar eigen zeggen stond hij vlak voor zijn overlijden “voor bij rust”, in de wedstrijd tegen FC K. Twee weken later was de wedstrijd afgelopen. Tot het laatst dribbelde JC zoals we hem kenden. Nog één keer, aannemen in de loop, overdwars richting zestien, zoals toen, tegen Den Haag, met dat lint in zijn hand. Iedereen heeft het gezien! Echter, dit keer had JC nog een kap in huis voor de pretentieuze, vliegen vangende stuntelaar die altijd op dat eeuwige veld resteert. Vlak voor rust en in de mist, die rook naar 1966, voor de stalen palen met de lange dwarslat, stond Magere Hein. Hij zag iets vliegen. Achter hem. Zijn bidon en zeis in het net, zoals de voorbij zeilende bal die vertrok van de voet van onze grootste voetballer ooit. Johan Cruyff. JC. Nummer 14, voor altijd. Grabbelen Heintje!